DIMLDINMD

Dingen In Mijn Leven Die Ik Nog Moet Doen

Meer (verre) reizen maken

Met mijn moeder zo’n verre reis maken

Een master

Parachutespringen

Bungeejumpen

Een berg beklimmen (de laatste keer dat ik dat deed was ik zes en bijna dood)

In een straat in Amsterdam gaan wonen waar er geen muizen of ratten zijn

Mijn angsten overwinnen

Ooit wil ik graag trouwen en kindjes krijgen en burgerlijk zijn. Ooit.

Een boek schrijven

De loterij winnen

Iets anders met mijn haar doen dan lang en blond

Echt mooie foto’s leren maken

Het NOS-journaal presenteren

Een mooie documentaire maken

Ondanks dat ik nog niet eens een vierkant kan tekenen, toch gaan schilderen

Mijn familie die ik niet ken opzoeken. SURPRISEEEE!!

Moed verzamelen om mijn eigen bedrijf te beginnen

Voor altijd stoppen met horecawerk. Ooit komt de dag.

Goed leren snowboarden zodat ik niet meer mijn kniebanden scheur als ik vijf minuten op een board sta

Een hele avond uitgaan op pumps zonder na een paar uur van schoenen te wisselen

Al het bovenstaande waarmaken en vooral extreem gelukkig worden, zijn, blijven

Het is bijna elf en lakt nagels

Ik heb een nichtje. Ze is bijna elf. Ze is een lieverd. Ik houd zielsveel van haar. Vroeger wilde ze altijd op me lijken. En dus deed ik toen ze zes jaar was al mascara op haar wimpers en labello op haar lippen. Het werd me door mijn tante dan ook niet in dank afgenomen dat ik bijna drie jaar geleden mijn haar rood verfde want gevolg: achtjarig kind zeurt om rood haar. Snel dus maar weer blond geverfd. Ik heb in ieder geval altijd een speciale band met haar gehad. Ik heb niet zoveel familie, en tot een paar jaar geleden was zij de enige nicht die ik kende, dus als wij elkaar zien, is het altijd fijn. We kijken er beide naar uit.

Dinsdag kwam mijn nichtje logeren. Ze wordt zoals gezegd bijna elf en aangezien ik voor mijn verjaardag altijd ga shoppen met Omi, wilde zij dat ook wel eens meemaken. Zo gezegd, zo gedaan. Het meiske mocht met ons mee en kwam de avond ervoor bij haar grote nicht slapen. Nu is ze nog tien, maar ik moet er wel bij zeggen dat ze niet echt tien is. Zowel lichamelijk als psychisch.

Het begon allemaal heel rustig. Tante kwam haar brengen en had mijn nieuwbakken tienerneef (de beste man is alweer 13) meegenomen. Ik heb mijn kooktalent (ahum) laten zegevieren en maakte iets op Turks brood wat op een zelfgemaakte pizza moest lijken. Natuurlijk liet ik daarbij mijn eigen stuk op de grond vallen. Maar goed, het werd opgegeten, en ik heb geen klachten ontvangen. Niet dat er veel complimentjes waren, maar weet je, dat er niet geklaagd werd, was voor mij al een groot compliment. Het is ook opgegaan. Dat zegt een heleboel, vind ik.

Toen tante en neef weg waren, kon onze meidenavond beginnen. Mijn nagellak werd uit de kast getrokken en de verhalen kwamen op gang. Mijn lieve, kleine nichtje, die niet vies was van een beetje mascara, bleek een ware mening over de wereld om haar heen te hebben en was niet op haar mondje gevallen. Ik kon een kleine glimlach niet onderdrukken, ik herkende mezelf. Ook ik had overal wel iets over te vertellen en schaamde me niet mijn mening te spuien. Ik vind het mooi dat ze zich ook niet schaamt voor wat ze voelt of denkt.

Na het nagels lakken (waar ze mij zelfs één of ander trucje met water bij leerde), was het tijd voor een modeshow. Mevrouw was creatief en heeft haar poncho tot tien verschillende outfits om weten te toveren. Daarna wist ze raad met een aantal van mijn kleren. Ik heb me werkelijk waar rot gelachen. Zeker omdat ik van haar op mijn hakken een model na moest doen, waarbij zij coach was. Ja mensen, 1.65 is natuurlijk wel een modellenmaat, om over mijn gewicht niet te spreken.

Het was heerlijk om haar de volgende dag zo gelukkig te zien. Ze werd blij van haar nieuwe kleren, ze vond het leuk dat we een zelfde jasje hebben gekregen, ze vond het prachtig om in Amsterdam te zijn en had het fijn met haar Omi en haar grote nicht. Ik had met mijn tante afgesproken om haar na het shoppen met de trein naar Leiden te brengen, aangezien mijn tante daar vlakbij nog een uurtje moest werken ’s avonds. Het werd al donker. Op straat, in de bus en zeker op het station was het enorm druk. Noem het ongerustheid, noem het verantwoordelijkheidsgevoel, noem het nichtenliefde, maar ik pakte haar hand vast.

Ik pakte haar hand vast. Zonder na te denken. Ik schrok een beetje. Misschien wil ze dat wel helemaal niet meer, nu ze in groep acht zit, na moet denken over een middelbare school en mascara draagt. Misschien neemt ze niets meer van haar grote nicht aan omdat ze zélf weet hoe de wereld in elkaar zit. Maar ze liet het toe. Ze zei er niks over. Ik heb haar hand nog lang vastgehouden. Ook toen het niet meer hoefde. Toen het niet meer nodig was, zat mijn hand nog steeds verstrengeld in die van haar.

Het mag dan bijna elf zijn, en het mag nagels lakken, het blijft mijn kleine nichtje. Mijn schatje. Ik hoop dat ik nog jarenlang haar hand vast mag pakken.

Fietsen in Amsterdam

Laat ik jullie eens iets vertellen over fietsen in Amsterdam. Fietsen in Amsterdam is echt heel bijzonder, namelijk. Het is een ervaring an sich.

Nederland is natuurlijk een echt fietsland. Nog voordat je kunt lopen, zetten je ouders je hoogstwaarschijnlijk op een fiets neer. Zo ging dat bij mij in ieder geval wel. Al zolang ik me kan herinneren, beweeg ik mij door het leven met een tweewieler, de zijwieltjes niet meegerekend. Ik kan mezelf dus wel een ervaren fietsster (wat een woord) noemen. Dacht ik. Daar kwam ik wel een beetje op terug toen ik een paar jaar geleden naar Amsterdam verhuisde.

Het zit namelijk zo: het verkeer in Amsterdam is, ehm, op zijn zachtst gezegd, nogal, tja, apart. En druk. Heel erg druk. Daar moest ik dus nogal aan wennen in het begin. Het eerste jaar dat ik in Amsterdam woonde, heb ik sowieso amper gefietst (ik woonde in Noord, come on, ik ga niet eerst naar een pont fietsen en dan oversteken en dan daar weer verder fietsen, let’s be real, dat duurt te lang) maar toen ik eenmaal richting centrum vertrok, heb ik gelijk mijn fietsje over laten komen. Ik was overal toch snel (ik kom daar nu un poco van terug, zo blijft naar Oost of Zuid fietsen gewoon een roteind), dus geen probleem. Maar man man man, wat schrok ik me een hoedje! Ik wist wel dat fietsers in Amsterdam van mening waren dat zij altijd en overal voorrang hadden, maar dat dat ook betekende dat zij andere fietsers afsneden en dergelijke, dat was mij even ontgaan.

Ik kan me nog herinneren dat ik met mijn nicht naar een feestje in Oost ging. We moesten dus eventjes fietsen en zij, echte Amsterdamse, slingerde overal tussendoor terwijl ik alleen maar geluiden produceerde als ‘AAAHHH’ en ‘HEEELPP’ en ‘FUCK!’ en ‘OH MY GOD’. Nicht moest hier wel om lachen en hield weinig rekening met mijn angsten. ,,Gewoon doortrappen. En net zo hard meedoen!’’, was haar advies.

Het heeft even geduurd, maar inmiddels heb ik haar advies opgevolgd. Ik slinger overal doorheen, fiets sporadisch op de stoep, vind dat auto’s geen recht van spreken hebben in het Amsterdamse verkeer, rinkel mijn bel als ik daar zin in heb, fiets zo ongeveer met 30 kilometer per uur, weet naar veel bestemmingen de kortste weg en fiets niet naar een bestemming buiten de ring. Een volwaardig Amsterdams fietsgenie dus.

Fietsen in Amsterdam blijft natuurlijk een soort zelfmoordpoging (vooral als je op zaterdagmiddag in de Amsterdamse binnenstad fietst, dan heb je echt suïcidale neigingen) maar tegelijkertijd is het ook één van de prachtigste dingen die er bestaat op deze wereld. Op een warme, zonnige dag met een klein briesje geniet ik van Amsterdam op de fiets. Het maakt me gelukkig, het maakt me blij, Amsterdam is zo mooi in de lente en de zomer. De rust die ik krijg, de straaltjes vrede die ik bij mezelf naar binnen voel stralen, ja, dat is nou echt het ultieme geluk.

Tegenwoordig heb ik een nieuwe fiets (thanks pap). Een hele mooie en hippe fiets. En ik weet zeker dat wij deze zomer een dreamteam zullen vormen. Mijn fiets en ik, slingerend, vloekend, bellend en op de stoep rijdend door Amsterdam. Ik heb er zin in.

Stadsmeisje?

Ik heb mezelf altijd gezien als stadsmeisje. Goed, ik ben dan misschien opgegroeid in Alphen aan den Rijn en dat is niet hetzelfde als mijn huidige woonplaats Amsterdam, maar enfin, het heeft stadsrechten en genoeg voorzieningen en inwoners om het ook daadwerkelijk een stad te noemen. Daarnaast kom ik al mijn hele leven in Amsterdam (voordat ik er dus woonde) en Den Haag en spendeerde ik mijn middelbare schooltijd in Leiden. Kortom: dorpen waren voor mij onbekend terrein en daarnaast belachelijk. Hield de wereld niet op na de ring van Amsterdam?

De mensen die mij een beetje nogal goed kennen, weten dat ik de laatste tijd veel tijd doorbreng met M.. De mensen die mij wat minder nogal goed kennen, weten dat nu ook. M. komt uit een dorp. Dat was voor mij even wennen. M. vond het leuk in dat dorp. Dat was voor mij nog meer wennen. Ik kon er met mijn gedachten werkelijk waar niet bij dat iemand het ooit naar zijn zin zou kunnen hebben in een dorp. Wat moet je daar nou? Er is niks, er gebeurt niks en je kunt er niet uit eten. Geen discotheken en altijd afhankelijk van je scooter, opgevoerde brommer of auto. Uit verveling wordt er door de jeugd overmatig drugs gebruikt of ingebroken, want ja, je moet toch wat?

Nu moet ik heel eerlijk bekennen dat ik een beetje van dit idee terugkom. En dat is schokkend, jawel, en dat mag in de krant, jawel. Rox die het naar haar zin kan hebben in een dorp? Niet verwacht, toch gebeurd. Ik kom steeds vaker in het beruchte dorp waar M. woont en ik vind het gezellig. Kijk, ik ben niet van plan om ooit in een dorp te wonen (niets boven Amsterdam enzo) maar ik vind het ook niet erg om wat van mijn kostbare tijd in een dorp door te brengen. Op vrijdagavond lekker zuipen en ouwehoeren in de plaatselijke kroeg, op zaterdagavond een feest in een omgebouwde sportzaal. Schoolfeest all over again.

Wat me vooral opviel is de saamhorigheid. M. heeft een vriendengroep en die vrienden kennen elkaar al sinds heel vroeger. Dan breng je dus met elkaar je schooltijd door enzo, je voetbalt jarenlang met elkaar, je woont bij elkaar in de straat en aangezien je leeftijdsgenoten bent, blijf je lekker bij elkaar hangen. De ene is uiteindelijk automonteur geworden, de ander ging door naar de universiteit, maar het maakt echt niet uit. Het zijn vrienden voor het leven en de gedachte ‘één voor allen, allen voor één’ heerst in my opinion. I love it.

Ik ben gewend alleen maar met mensen van ‘mijn niveau’ om te gaan. Soort zoekt soort is een gezegde wat mij bekend in de oren klinkt. In Amsterdam ken ik niemand, misschien op een enkeling na, die niet studeert of gestudeerd heeft. Dat is toch best triest als ik erover nadenk. Ik doe het niet express, het is gewoon altijd zo geweest.

En het houdt niet op bij alleen vrienden. Ook de familie van M. is hecht. Lekker open en eerlijk, alles kan en mag gezegd worden. Op zondag heerlijk met elkaar lummelen, spelletjes spelen en een soepje eten. Ik kan met recht zeggen dat ik een geniale familie heb en dat ik ook alles tegen mams en consorten kan of mag zeggen, maar we waren allemaal wel erg op ons eigen leven gericht. Iedereen gaat zijn eigen gang en hele zondagen met elkaar op de bank of aan tafel hebben we nooit meegemaakt. Het is niet erg, het is allebei goed en het kan allebei relaxt zijn. Ik vind het alleen wel heel leuk om eens te zien hoe het nou anders kan.

Ik weet niet of het alleen aan de charme van het dorp ligt, of dat het feit dat ik dol op M. ben overheerst, of dat ik mezelf alleen maar dingen wijsmaak… Ik weet in ieder geval wel dat het leven niet ophoudt na de ring van Amsterdam. Toerist in eigen land spelen, ik vind het voor nu best lekker.

Dubbel O

‘Dubbel dubbel O, O, check eens hoe ik flow flow, dames zeggen ey ey, Mocro’s zeggen wejoow’ Yes-R en Sjaak wisten het ooit goed te verwoorden hoor: Amsterdam-Oost. Man, diepzinnig en informatief, vinden jullie ook niet? Eerlijk gezegd weet ik na al die tijd nog steeds niet wat er nou precies met deze lyrics bedoeld wordt, maar dat vind ik ook wel weer kloppen. Amsterdam-Oost is zelf ook niet te begrijpen.

Ik heb nooit in Oost gewoond, ben er natuurlijk wel vaak geweest. The hell, mijn school staat in Oost (oke, is wel nep, zit precies op het randje van alles hihi). Maar goed, ik ken genoeg mensen in Oost dus de wijk is me niet geheel onbekend. Mijn eerste kennismaking met Oost was een jaar of 3/4 geleden. Mijn broer woonde toen in de Madurastraat en ging een tijdje op reis. Of ik op huis en kat wilde passen. Natuurlijk deed ik dat, ik heb dat al zovaak gedaan, het is mijn nooit letterlijk bevestigde taak als zusje. Het was een ervaring hoor! Na acht uur ‘s avonds durfde ik niet meer alleen de straat op, maar voor de rest vond ik het reuzegezellig. Vooral de zwervers op de hoek van de straat, toppers waren het.

Na wat omzwervingen is mijn broer terug in Oost. Na wat andere omzwervingen ben ik inmiddels een echte ‘westsider’ (en dan het leuke West, geen Sloten of Osdorp ofzo). Nouja, broeder en schoonzus zijn dus op wintersport, met andere woorden: het werd weer eens tijd om mijn taak te vervullen. En ik doe het met liefde hoor. De beste kinders wonen op een woonboot met bubbelbad dus mij hoor je niet klagen. Ja ja, die flatscreen tv is ook vrij relaxt en op de bank kun je prima kateren, dus echt, ik doe het graag.

Maar dat is natuurlijk allemaal binnenkant. Zodra ik een stap buiten de deur zet, verandert het vredige woonbootleven. Deze straat, die is best oke (behalve toen ik live getuige was van een aanhouding hier twee centimeter van de voortuin af), maar ga het bruggetje over en je komt in de wondere wereld van de Indische Buurt. Waar ik al menig fiets gestolen heb zien worden. Waar ik een aantrekkingskracht schijn te hebben op vieze en lelijke mensen. Waar die vieze en lelijke mensen het idee hebben dat ze mij kunnen versieren. Waar die vieze en lelijke mensen geen ‘nee’ kunnen dulden als antwoord (maar je weet, ik ben bikkel). Waar ik tussen dertig wachtenden bij de tramhalte de enige was met blond haar (ja echt). Waar in de supermarkt bijna niets te verkrijgen is (waarom echt, waarom kom je alleen goede AH’s tegen in Oud-Zuid?!) en waar jongens van twaalf me al naroepen.

Oost is even wennen. Maar toch houd ik van Oost. De multiculturaliteit, de verschillende winkels, de Dappermarkt en de diverse mensen, ik vind het geweldig. Ja, die vieze en lelijke mannen zijn wel enorm irritant, maar ik verweer me kranig. En daarom is de slagzin voor de tijd dat ik hier verkeer een hele goede! Je weet toch: ‘Dubbel dubbel O, O, check eens hoe ik flow flow!’

Ratjetoe

Ik geef het niet graag toe, maar ik ben bang. Bang voor de donkere dagen die komen gaan. Ik ben niet snel bang, maar de donkere dagen in Amsterdam, die zou ik graag overslaan.

Het gaat er niet eens om dat ik over een eng bruggetje en langs twintig grote bomen moet lopen om in de buurt van mijn huis te komen, dat trek ik nog wel. Het gaat er niet om dat ik geen muur heb en het daarom idioot koud ga krijgen. Het gaat om beesten. Vieze, enge beesten.

I consider myself een dierenvriend, maar er zijn grenzen. Zo houd ik niet van insecten en word ik wild als ik op twintig meter afstand een wesp zie. Want: allergisch. Echter, er zijn dieren waar ik nog meer van gruwel. Ratten. En Amsterdam heeft een heleboel ratten kan ik je vertellen. Ik woon ook nog eens aan het water, dus ik kan mijn lol natuurlijk niet op!

Tijdens de vuilnisstaking een tijdje geleden liep ik al rillend over straat. Doodsbang was ik een rat tegen te komen. Het vuilnis lag hier zeker twee meter hoog, en op een gegeven moment durfde ik gewoon niet meer naar de bushalte te lopen. Elke keer kreeg ik last van het ‘freezing effect’. Dat je zo bang bent, dat je verstijft. De gedachte dat ik een rat tegen zou kunnen komen, was voor mij onverdraagbaar. Huilend bracht ik de dagen door.

Een tijd geleden kwam ik ’s avonds thuis. Ik had de laatste bus gepakt. En na het bruggetje, toen ik het paadje vol bomen en bosjes af wilde lopen, zag ik iets voorbij schieten. Het is dan wel donker, maar ik ben niet gek. Ik begon keihard te gillen, en dat was misschien niet de allerbeste optie want 1. Onze straatzwerver werd wakker en was niet erg blij met deze wekdienst en 2. Een langsrijdende automobilist dacht dat deze zwerver mij wilde verkrachten. Toen ik allen uitlegde dat het om een rat ging, werd de automobilist ook nog eens boos en vond de straatzwerver dat ik me niet aan moest stellen. Het waren tenslotte zijn vrienden, en hij sliep hier toch ook?

Vorige week zat ik in de auto, wederom op een niet-Christelijke tijd. Ik reed zelf niet, want ik heb geen rijbewijs. Maar ik zat op de passagiersstoel en had een leuk gesprek met R., totdat hij zei: ‘Kijk rechts, een rat!’. Mijn stemming sloeg gelijk 180 graden om, ik heb ongeveer een uur gerild en woorden als ‘ieuwhl’ en ‘nee’ geroepen. ,,En dat vijf straten van mijn huis’’, zei ik nog boos.

Ratten zijn zo ongelofelijk vies en ik vraag me af of er niet iets aan te doen is. Ik weet nog dat ik tijdens de vuilnisstaking mijn beklag deed en dat een andere R. toen tegen mij zei: ,,Amsterdam is vies, zeker nu, de huizen zijn te duur, muizen lopen overal en nog erger: ratten zijn hier de baas. En toch willen we er allemaal wonen.’’ En hij slaat de spijker op zijn kop.

Ik kan me niet voorstellen dat ik ergens anders net zo gelukkig kan worden als in Amsterdam, al zou Den Haag (op Oh Oh Cherso wijken na) ook een redelijke kans maken. Maar goed, ik ben verliefd op Amsterdam, ik houd van Amsterdam. Ik heb mijn plekje gevonden, ik heb hier mijn mensen, ik wil hier nooit meer weg. Amsterdam heeft mijn hart gestolen. Het is alleen verdomde irritant dat enorm veel ratten hetzelfde idee hebben.

Ik weet niet hoe ratten op winter reageren, maar ik hoop dat er een hele zooi sterft. Of dat ze in ieder geval hetzelfde doen als ik: zo lang mogelijk binnen zitten en alleen naar buiten als het echt moet. En met binnen bedoel ik bij hen natuurlijk waarever ze dan ook mogen zitten. Zolang ik er maar geen last van heb. En met een gerust hart naar de bushalte durf te lopen.

De Dierenarts II

Zondag. Ik heb Jeroen gebeld en samen hebben we een etentje in elkaar gefrutseld. Rachel, Maxime, Sasha, Celina, David en Sanne zijn er ook, dus de hele club is compleet. Iedereen is redelijk wakker vandaag, dus het kan wel eens een leuke avond worden.

,,Dus eindstand: hij geeft me die druppels én zijn nummer.’’ Ik sluit het verhaal over de stagiair bij de dierenarts af. De rest moet lachen. ,,Dat had ik gister nog aan mijn bar. Komt er eentje met ‘twee bier en je nummer graag’. Alsof we die nog nooit gehoord hebben.’’, zegt Sanne daarna. Ze heeft gelijk, wij meiden hebben die zin allemaal gehoord. Zelfs David schept op dat meisjes dat ook bij hem doen. ,,Heb je hem al gebeld dan?’’, vraagt Celina. ,,Nee natuurlijk niet. Wat moet ik zeggen dan? Dat ik die oppas van de poes Poes was en dat ik geen idee heb hoe het met die kat gaat maar dat ik hem nog wel een keer wil zien?’’ Ik lach er zelf een beetje om. De meiden denken er anders over. ,,Ja!’’, roepen ze in koor. Ik moet nog harder lachen. Alsof ik Levi ooit ga bellen.

,,Oké, nu iedereen stil zijn!’’, zegt Sasha. Ik heb mijn telefoon op luidspreker staan, hij gaat over. ,,Met Levi’’, klinkt het aan de andere kant van de lijn. Ik kan mijn lach bijna niet inhouden, de rest ook niet. ,,Ja hallo. Ehm, je spreekt met Suus. Ik had vorige week mijn kat gebracht weet je nog?’’ ,,Oh tuurlijk. Poes. Hoe gaat het met haar? En met jou?’’ Wat gênant trouwens om dit te doen terwijl iedereen mee kan luisteren. Maar ik moet even doorzetten, want ik heb het beloofd. ,,Goed en goed. Dus om eerlijk te zijn belde ik niet voor een noodgeval met Poes.’’ Levi moet lachen. ,,Nou, als we toch op de eerlijke tour zijn, ik had je mijn nummer ook niet gegeven om me te bellen voor een noodgeval met Poes.’’ Op mijn mond komt een glimlach tevoorschijn. Ik weet niet zo goed wat ik moet zeggen. Levi vult de stilte op. ,,Heb je anders zin om van de week een keertje wat te gaan eten?’’ Ik twijfel. Eten is gelijk weer zo drastisch. Dan moet je de hele tijd met elkaar praten, want je kunt niet zomaar weglopen als je eten er nog niet is. Ik krijg zowel van Rachel als Maxime een por in mijn zij, dus ik heb het idee dat zij willen dat ik ja zeg. ,,Ja dat lijkt me gezellig. Kun je donderdag?’’ ,,Donderdag is prima. Ik zoek wel een leuk restaurantje uit. Laat me maar via de sms weten waar en hoe laat ik je kan oppikken. Ik moet nu weer even door.’’ Als we hebben opgehangen, begint iedereen te joelen en te lachen. ,,Ik rijd donderdag langs je huis om te controleren hoor!’’, grapt Maxime. Ik moet er om lachen. ,,Nee lieverds, beloofd. Ik ga donderdag echt met Levi uit eten. Als jullie nou daarna naar Amsterdam komen, kunnen we met zijn allen uit.’’ De rest vindt het een goed plan. Als die date met Levi niks wordt, heb ik altijd nog een plan B om een leuke avond te hebben.

’s Avonds lig ik bed. Ik denk nog eens na over het feit dat ik met Levi ga eten. Ik had hem eigenlijk niet moeten bellen. Ik ben nog steeds een beetje kapot van het feit dat Jason weg is. Waarom doe ik mezelf dan tekort door tóch met een andere gozer af te spreken? Is mijn verlangen naar geborgenheid, naar liefde, dan zo groot? Zo groot dat ik elk mannelijk wezen dat ik tegenkom als potentiële kandidaat zie? En als dat zo is, ben ik dan de enige die er zo naar kijkt? Piekerend val ik in slaap.

De Dierenarts

Vrijdag. Ik pas nu al een paar dagen op het huis van mijn broer. Zijn kat, genaamd Poes, is ziek. Ze heeft een hele dikke wang en ze ligt de hele tijd stil. Voor een kat die sterk doet vermoeden ADHD te hebben, lijkt me dat niet gezond. Mijn twee eigen katten zijn nooit ziek. Ik raak een beetje in paniek. Morgen komt broer Rogier terug en die geeft altijd mij de schuld als er iets is gebeurd. Als het dan ook nog om Poes gaat, hoef ik de komende maanden op broederliefde niet te rekenen. Ik bel mijn moeder. ,,Mam, Poes is ziek.’’, roep ik in paniek de telefoon in. ,,Ja, Rogier zei al dat ze vorige week ook niet lekker was. Het lijkt me verstandig om even naar de dierenarts te gaan.’’ ,,Oh, fijn dat hij dat wel bij jou meldt maar even vergeten is om mij erbij te betrekken!’’, zucht ik. Mijn moeder moet lachen. ,,Ik kijk wel even op internet naar een dierenarts die daar vlakbij zit.’’

De praktijk is niet ver weg. Twee straten verderop, dat moet nog wel te doen zijn. Met veel moeite heb ik Poes in zo’n kattenmand gekregen. Het kostte wat snoepjes, maar dan heb je ook wat. Ik loop met haar in de mand over straat. Ze schreeuwt de hele buurt bij elkaar. ,,Houd je mond nou eens Poes. Ik mishandel je niet hoor.’’ Het heeft totaal geen nut om tegen Poes te praten. Ten eerste begrijpt ze toch niet wat ik zeg en ten tweede blijft ze lekker door gillen. Ik stop mijn vinger door het deurtje van de mand. Dat vindt Poes fijn. Nu kan ze lekker op mijn vertrouwde vinger bijten. Ik loop nu wel in een hele rare positie en mijn vinger doet vrij veel pijn, maar Poes is tenminste stil. Verderop zie ik het bord van de dierenartspraktijk al. Het is een soort open spreekuur, ik hoop dat het niet al te druk is. Ik neem plaats in de wachtruimte. Er is al iemand in de behandelkamer, hierna ben ik aan de beurt. Dat valt dus nog mee.

,,Hoi, ik ben Levi Wendel. Ik loop hier stage en zal vandaag je kat bekijken. Is het een poes of een kater?’’ Wat een tegenvaller dat Levi voor dierenarts heeft gekozen. Ik denk dat menig vrouw wel door zo’n knappe dokter behandeld zou willen worden. Wat een mooi stuk mannelijk voorkomen! ,,Ik ben Suus, dit is een poes. En ze heet Poes.’’ Levi begint te lachen. Hij haalt haar uit de kattenmand en zet haar op de behandeltafel. Hij ziet gelijk het probleem. ,,Hoelang heeft ze dit al?’’ ,,Ik weet het niet precies. Het is de kat van mijn broer. Maar ze was al een tijdje niet lekker en had een klein bultje. Toen ik vanochtend keek, was haar hele wang opgezwollen.’’ Levi voelt een beetje. ,,Je moet dit zien als een soort abces. Dan kan ze door verschillende manieren oplopen. Heeft ze buiten bijvoorbeeld gevochten met een andere kat?’’ ,,Zou kunnen, maar ze komt niet zoveel buiten. Alleen op het dak. Dus misschien heeft ze daar een date gehad die niet helemaal lekker liep.’’, grap ik. Levi moet wederom lachen. Hij prikt in het abces en Poes begint te bloeden. Er komt ook vies spul uit, erg smakelijk ziet het er niet uit. Levi ziet mijn blik. ,,Ja, een beetje vies is het wel. Als je straks thuis bent zal ze ook nog bloeden. Je moet het af en toe met een stukje papier wegvegen, anders krijg je overal vlekken. Ik geef ook druppels mee die je in haar eten moet doen.’’ Ik beloof het en aai Poes. Ze is braaf geweest. Levi geeft me een briefje. ,,Dit is trouwens mijn nummer. Voor het geval dat Poes ineens heel snel achteruit gaat natuurlijk.’’ Hij geeft me een knipoog.